hef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hef
enkelvoud meervoud
naamwoord hef heffen
verkleinwoord hefje hefjes

Zelfstandig naamwoord

hef v/m

  1. bezinksel van vloeistoffen

Werkwoord

vervoeging van
heffen

hef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heffen
    Ik hef.
  2. gebiedende wijs van heffen
    Hef!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heffen
    Hef je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hef hefte
hewwe

Zelfstandig naamwoord

hef

  1. heft, handvat
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hef
gehef
volledig

Werkwoord

hef

  1. heffen