hechten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hech·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hechten
hechtte
gehecht
zwak -t volledig

Werkwoord

hechten

  1. (overgankelijk) (medisch) een wond dichtnaaien
    De operatie was geslaagd en de wond kon gehecht worden erin.
  2. (inergatief) ~ aan belang toewijzen aan iets
    Hij hechtte eraan zijn danbaarheid daarvoor te tonen.
  3. (wederkerend) zich ~ aan
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen