harkten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hark·ten

Werkwoord

vervoeging van
harken

harkten

  1. meervoud verleden tijd van harken
    Wij harkten.
    Jullie harkten.
    Zij harkten.