harkte
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- hark·te
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| harken |
harkte
- enkelvoud verleden tijd van harken
- Ik harkte.
- Jij harkte.
- Hij, zij, het harkte.
- Ik harkte.
| vervoeging van |
|---|
| harken |
harkte