hanteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- han·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het Franse hanter (12e eeuw) met betekenis 'omgaan met', dat weer afkomstig is van het Germaans, met het achtervoegsel -eren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hanteren |
hanteerde |
gehanteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
hanteren
- (overgankelijk) ermee omgaan
- De jongen hanteerde het mes als een ware kok.