halve

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • hal·ve

Bijvoeglijk naamwoord

halve

  1. verbogen vorm van de stellende trap van half


Noors

Woordafbreking
  • hal·ve
Naar frequentie 2215

Bijvoeglijk naamwoord

halve, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van halv

halve, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van halv


Nynorsk

Woordafbreking
  • hal·ve

Bijvoeglijk naamwoord

halve, m /v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van halv

halve, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van halv