hak
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hak | hakken |
| verkleinwoord | hakje | hakjes |
Zelfstandig naamwoord
hak m
- (anatomie) hiel van de voet
- verhoging onder een schoen bij de hiel
- (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken
Spreekwoorden
Met de hakken over de sloot iets gehaald hebben.
- Iets nét aan gehaald hebben.
Iemand een hak zetten.
- De gelegenheid benutten om iemand nadeel te berokkenen.
Van de hak op de tak springen.
- Van het ene onderwerp naar het andere overspringen zonder een verband ertussen te leggen.
Iemand op de hak nemen.
- Iemand bespotten.
Vertalingen
1. hiel van de voet
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| hakken |
hak
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
- Ik hak.
- gebiedende wijs van hakken
- Hak!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hakken
- Hak je?
IJslands
Zelfstandig naamwoord
hak
Indonesisch
Zelfstandig naamwoord
hak
Pools
Zelfstandig naamwoord
hak
Turks
Zelfstandig naamwoord
hak
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Anatomie in het Nederlands
- Gereedschap in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het IJslands
- Zelfstandig naamwoord in het IJslands
- Woorden in het Indonesisch
- Zelfstandig naamwoord in het Indonesisch
- Woorden in het Pools
- Zelfstandig naamwoord in het Pools
- Woorden in het Turks
- Zelfstandig naamwoord in het Turks