habitat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ha·bi·tat
enkelvoud meervoud
naamwoord habitat habitats
verkleinwoord habitatje habitatjes

Zelfstandig naamwoord

habitat v/m

  1. het natuurlijke leefgebied van een organisme
    De bergen vormen uiteraard geen deel van de habitat van zeehonden.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen