haard

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • haard
enkelvoud meervoud
naamwoord haard haarden
verkleinwoord haardje haardjes

Zelfstandig naamwoord

haard m

  1. een plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden [1]
    Hij warmde zijn koude handen bij de haard.
  2. een plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt, een focus
    De haard van deze aardbeving bevond zich recht onder die stad.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord haard haarde

Zelfstandig naamwoord

haard

  1. haard