haard
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- haard
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haard | haarden |
| verkleinwoord | haardje | haardjes |
Zelfstandig naamwoord
haard m
- een plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
- Hij warmde zijn koude handen bij de haard.
- een plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
- De haard van deze aardbeving bevond zich recht onder die stad.
Verwante begrippen
- [1] schouw, stookplaats
Vertalingen
1. een plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haard | haarde |
Zelfstandig naamwoord
haard