gutsen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- gut·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gutsen |
gutste |
gegutst |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
gutsen
- (overgankelijk) met een guts bewerken
- De gespleten stukken riet werden eerst gegutst en daarna begon het snijwerk.
- (ergatief) met grote golven naar buiten stromen
- Het bloed was al enige tijd uit de wond gegutst, voordat de arm afgebonden kon worden.
Zelfstandig naamwoord
gutsen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord guts