gutsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordafbreking
  • gut·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gutsen
gutste
gegutst
zwak -t volledig

Werkwoord

gutsen

  1. (overgankelijk) met een guts bewerken
    De gespleten stukken riet werden eerst gegutst en daarna begon het snijwerk.
  2. (ergatief) met grote golven naar buiten stromen
    Het bloed was al enige tijd uit de wond gegutst, voordat de arm afgebonden kon worden.

Zelfstandig naamwoord

gutsen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord guts
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen