gunnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gun·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gunnen
gunde
gegund
zwak -d volledig

Werkwoord

gunnen

  1. voldoening hebben dat iemand anders iets heeft of verkrijgt
    Die promotie was hem zeker gegund.