gsm
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gsm
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gsm | gsm's |
| verkleinwoord | gsm'etje | gsm'etjes |
Zelfstandig naamwoord
gsm
- m (telecommunicatie) een mobiele telefoon
- Ik had geen ontvangst met mijn gsm.
- o (telecommunicatie) een standaard voor digitale mobiele telefonie
- De mobiele telefonienetwerken in Nederland en België gebruiken ofwel gsm ofwel een combinatie van gsm en UMTS.
Synoniemen
- [1] gsm-toestel; (Nederland) mobieltje; (Suriname) cellulair
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
- [2] gsm'en
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gsm'en |
gsm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gsm'en
- Ik gsm.
- gebiedende wijs van gsm'en
- Gsm!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gsm'en
- Gsm je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.