grond
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- grond
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | grond | gronden |
| verkleinwoord | grondje | grondjes |
Zelfstandig naamwoord
grond m
- een bepaald stuk van het aardoppervlak
- De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen.
- de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
- De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond.
- het aardoppervlak in algemene zin
- Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond.
- de reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
- Op welke grond heb je dat gedaan?
- zeebodem.
- Het schip was aan de grond gelopen.
Synoniemen
- [1] terrein
- [2] prut, aarde
- [4] reden, beweegreden, motivatie, argument, drijfveer, basis, fundering, onderbouwing, uitgangspunt
Hyponiemen
- achtergrond, akkergrond, bewijsgrond, bureaubladachtergrond, leemgrond, ondergrond, plattegrond, schijngrond, veengrond, voorgrond, weidegrond, weigrond
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: met beide benen op de grond staan
realistisch zijn
- [2]: als paddenstoelen uit de grond schieten
overal snel uit het niets tevoorschijn komen
- [3]: vaste grond onder de voeten hebben
weer veilig aan land zijn
Vertalingen
als paddenstoelen uit de grond schieten
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gronden |
grond