gromden
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- grom·den
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| grommen |
gromden
- meervoud verleden tijd van grommen
- Wij gromden.
- Jullie gromden.
- Zij gromden.
- Wij gromden.
| vervoeging van |
|---|
| grommen |
gromden