gromde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grom·de

Werkwoord

vervoeging van
grommen

gromde

  1. enkelvoud verleden tijd van grommen
    Ik gromde.
    Jij gromde.
    Hij, zij, het gromde.