grens
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- grens
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | grens | grenzen |
| verkleinwoord | grensje | grensjes |
Zelfstandig naamwoord
- een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
- . De grens tussen twee stroomgebieden.
- de raaklijn tussen twee landen
- Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken.
- (figuurlijk) uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
- Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een al dan niet denkbeeldige scheidingslijn
2. de raaklijn tussen twee landen
|
|
3. uiterste mate (bijv. waarin men zich iets kan veroorloven)
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| grenzen |
grens
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
- Ik grens.
- gebiedende wijs van grenzen
- Grens!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grenzen
- Grens je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.