grens

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • grens
enkelvoud meervoud
naamwoord grens grenzen
verkleinwoord grensje grensjes

Zelfstandig naamwoord

grens v/m

  1. een (denkbeeldige) scheidingslijn.
    Met deze acties is wat mij betreft de grens bereikt.
  2. de raaklijn tussen twee landen.
    Als we geluk hebben kunnen we morgen de Poolse grens bereiken.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen