gom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gom
enkelvoud meervoud
naamwoord gom gommen
verkleinwoord gommetje gommetjes

Zelfstandig naamwoord

gom m of o

  1. een gum
    Met een gom krijg je die streep nog best weg.
  2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
    Zorg dat je die gom niet aan je handen krijgt.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gommen

gom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gommen
    Ik gom.
  2. gebiedende wijs van gommen
    Gom!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gommen
    Gom je?

Meer informatie