gom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gom | gommen |
| verkleinwoord | gommetje | gommetjes |
Zelfstandig naamwoord
- een gum
- Met een gom krijg je die streep nog best weg.
- een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
- Zorg dat je die gom niet aan je handen krijgt.
Vertalingen
2. een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gommen |
gom
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gommen
- Ik gom.
- gebiedende wijs van gommen
- Gom!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gommen
- Gom je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.