goedmaken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- goed·ma·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| goedmaken |
maakte goed |
goedgemaakt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
goedmaken
- (overgankelijk) een oorzaak van wrevel of onvrede wegnemen
- Ze hebben het gelukkig weer goedgemaakt.
- (inergatief) financieel compensatie aanbieden
- Ik zal het je goedmaken. Wat dacht je van 10% van de opbrengst?