goedmaken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goed·ma·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
goedmaken
maakte goed
goedgemaakt
zwak -t volledig

Werkwoord

goedmaken

  1. (overgankelijk) een oorzaak van wrevel of onvrede wegnemen
    Ze hebben het gelukkig weer goedgemaakt.
  2. (inergatief) financieel compensatie aanbieden
    Ik zal het je goedmaken. Wat dacht je van 10% van de opbrengst?
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen