goddelijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- god·de·lijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | goddelijk | goddelijker | goddelijkst |
| verbogen | goddelijke | goddelijkere | goddelijkste |
Bijvoeglijk naamwoord
goddelijk
- wat van een god is, wat toebehoort aan een god
- wat eigen is aan een god
- heerlijk, schitterend
- Gisteren heb een goddelijk diner gehad.