gniffelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gnif·fe·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gniffelen |
gniffelde |
gegniffeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
gniffelen
- (inergatief) wat onderdrukt plezier hebben
- Hij gniffelde een beetje, maar trok zijn gezicht weer snel in de plooi.
Vertalingen
1. wat onderdrukt plezier hebben