gisten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| gisten | gistend |
| gisting | gegist |
Woordafbreking
- gis·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gisten |
gistte |
gegist |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
gisten
- (ergatief) een proces van fermentatie ondergaan
- Als het druivensap gegist is, ontstaat er wijn.
- (overgankelijk) een proces van fermentatie doen ondergaan
- De vino frizzante wordt gegist in ijzeren tanks en de spumante wordt na gisting in de tanks nog aanvullend gegist in de fles.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gissen |
gisten
- meervoud verleden tijd van gissen
- Wij gisten.
- Jullie gisten.
- Zij gisten.
- Wij gisten.
Zelfstandig naamwoord
gisten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gist