gisten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
gisten gistend
gisting gegist
Woordafbreking
  • gis·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
gisten
gistte
gegist
zwak -t volledig

Werkwoord

gisten

  1. (ergatief) een proces van fermentatie ondergaan
    Als het druivensap gegist is, ontstaat er wijn.
  2. (overgankelijk) een proces van fermentatie doen ondergaan
    De vino frizzante wordt gegist in ijzeren tanks en de spumante wordt na gisting in de tanks nog aanvullend gegist in de fles.

Werkwoord

vervoeging van
gissen

gisten

  1. meervoud verleden tijd van gissen
    Wij gisten.
    Jullie gisten.
    Zij gisten.

Zelfstandig naamwoord

gisten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord gist