gireren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gi·re·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gireren |
gireerde |
gegireerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
gireren
- (overgankelijk) geld overmaken door het uitschrijven van een giro
- Ik heb het al gegireerd.