gips
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gips
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gips | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
gips
- o
- (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO4·2H2O.
Synoniemen
Vertalingen
1.
|
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Bosnisch
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Deens
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Kroatisch
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Nedersaksisch
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Noors
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Pools
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Roemeens
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Zweeds
Zelfstandig naamwoord
gips
- (scheikunde) gips.
Categorieën: Woorden in het Nederlands | Zelfstandig naamwoord in het Nederlands | Scheikunde in het Nederlands | Woorden in het Bosnisch | Scheikunde in het Bosnisch | Woorden in het Deens | Scheikunde in het Deens | Woorden in het Kroatisch | Scheikunde in het Kroatisch | Woorden in het Nedersaksisch | Scheikunde in het Nedersaksisch | Woorden in het Noors | Scheikunde in het Noors | Woorden in het Pools | Scheikunde in het Pools | Woorden in het Roemeens | Scheikunde in het Roemeens | Woorden in het Zweeds | Scheikunde in het Zweeds