getijde
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·tij·de
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | getijde | getijden |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
getijde o
- (astronomie) de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
- In de Noordzee zijn de getijden niet zo extreem als op de Bretonse kust.
- (religie) een van de acht officies die het dagritme van een klooster bepalen
- De sext, terts en none staan bekend als de kleine getijden.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
- [1]: eb, laagtij, vloed, hoogtij, kentering
- [2]: metten, (vigilie), lauden, priem, terts, sext, none, vespers, completen
Vertalingen
1. de periodieke verandering van de waterstand ten gevolge van de stand van de maan
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.