geniepig
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: geniepig (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /χəˈnipəχ/
- (Vlaanderen, Brabant): /ɣəˈnipəx/
- (Limburg): /ɣəˈnipɪx/
Woordafbreking
- ge·nie·pig
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | geniepig | geniepiger | geniepigst |
| verbogen | geniepige | geniepigere | geniepigste |
| partitief | geniepigs | geniepigers | - |
Bijvoeglijk naamwoord
geniepig
- op een achterbakse manier en gemeen.
- Hij zette hem op een geniepige manier buiten spel.
- Omdat hij iets geniepigs had gedaan mocht hij niet meer meedoen met het spelletje.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. op een achterbakse manier en gemeen