genet
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·net
Woordherkomst en -opbouw
- [1] Via Middelnederlands ghenet, van Frans genet <Spaans jinete <Arabisch zanāta: een Berberse ruiterstam
- [2] <Frans genette <Spaans gineta <Arabisch ğarnait
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | genet | genetten |
| verkleinwoord | genetje | genetjes |
Zelfstandig naamwoord
genet
- o (zoogdieren) een klein soort Spaans paard
- Het paart, dat met briessen het spaansch genet uittart.[1]
- v (zoogdieren) Genetta genetta
een klein roofdier uit de familie der civetkatachtigen (Viverridae
)
- 's Avonds ben ik op een autosafari door het park geweest en heb onder andere een genet in een boom gezien; de ogen reflecteerden de lichtbundel van onze schijnwerper bijzonder sterk.
Synoniemen
- [2]: genetkat
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| netten |
genet
- voltooid deelwoord van netten
Verwijzingen
- ↑ Vondel