generator

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ne·ra·tor
enkelvoud meervoud
naamwoord generator generatoren
generators
verkleinwoord generatortje generatortjes

Zelfstandig naamwoord

generator m

  1. een machine die stroom opwekt.
    Om in dit afgelegen gebied toch stroom te hebben hadden zij vroeger een generator, maar nu zijn ze overgestapt op zonnepanelen.
Persoonlijke instellingen