generator
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: generator (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˌχenəˈratɔr/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˌɣenəˈratɔr/
Woordafbreking
- ge·ne·ra·tor
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | generator | generatoren generators |
| verkleinwoord | generatortje | generatortjes |
Zelfstandig naamwoord
generator m
- een machine die stroom opwekt.
- Om in dit afgelegen gebied toch stroom te hebben hadden zij vroeger een generator, maar nu zijn ze overgestapt op zonnepanelen.