gemenerik
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·me·ne·rik
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gemenerik | gemeneriken |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
gemenerik m
- (pejoratief) een gemeen persoon (soms ironisch)
- Politieke tegenstanders schilderden hem af als een geslepen gemenerik.