gemenerik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·me·ne·rik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gemenerik gemeneriken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gemenerik m

  1. (pejoratief) een gemeen persoon (soms ironisch)
    Politieke tegenstanders schilderden hem af als een geslepen gemenerik.
Antoniemen