geleider

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·lei·der
enkelvoud meervoud
naamwoord geleider geleiders
verkleinwoord (geleidertje) (geleidertjes)

Zelfstandig naamwoord

geleider m

  1. (natuurkunde) (elektrotechniek) materiaal met een naar verhouding hoog aantal beweeglijke ladingsdragers, waardoor het een elektrische stroom makkelijk doorlaat
    Metalen, maar ook zoutoplossingen zijn goede geleiders, zij het om verschillende redenen.
  2. (natuurkunde) materiaal dat iets anders doorlaat dan elektriciteit, zoals warmte of geluid, warmtegeleider
    De dokter smeerde wat gelei op haar buik als geleider voor de ultrasone trillingen.
  3. (techniek) elk van de delen van instrumenten die dienen om een ander deel in zijn beweging te geleiden
  4. persoon die wat geleidt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen