geer
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- geer
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | geer | geren |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
- (heraldiek) ieder van de gelijke driehoekige vakken die door gelijktijdig gebruik van een aantal hoofdlijnen ontstaan
- Een wapen zoals dat van Almere met acht geren wordt "gegeerd van acht stukken" genoemd.
- spits toelopende strook stof
- scheve zijde van een gebouw of stuk land
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| geren |
geer
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geren
- Ik geer.
- gebiedende wijs van geren
- Geer!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geren
- Geer je?
Wolof
Zelfstandig naamwoord
geer