gedonder
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·don·der
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gedonder | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
gedonder o
- het geluid van donderslagen
- Ik hoorde gedonder in de verte; ik hoop niet dat we een bui gaan krijgen.
- (pejoratief) als ongewenst en ergerlijk ervaren gedrag
- Is dat gedonder nou nog niet afgelopen?