gedonder

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·don·der
enkelvoud meervoud
naamwoord gedonder -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gedonder o

  1. het geluid van donderslagen
    Ik hoorde gedonder in de verte; ik hoop niet dat we een bui gaan krijgen.
  2. (pejoratief) als ongewenst en ergerlijk ervaren gedrag
    Is dat gedonder nou nog niet afgelopen?