gedaante
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·daan·te
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het Middelnederlandse bijvoeglijk naamwoord gedaen (eigenlijk het voltooid deelwoord van doen; "een zeker uiterlijk hebbend") met het achtervoegsel -te.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | gedaante | gedaanten, gedaantes |
| verkleinwoord | gedaantetje | gedaantetjes |
Zelfstandig naamwoord
gedaante v
- een menselijk figuur
- Bovenop de heuvel verscheen een imposant gedaante.
- een uitwendige verschijning
- Zeus nam de gedaante van een zwaan aan.