geboren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·bo·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Oorspronkelijk het voltooid deelwoord van het Oudnederlandse werkwoord geberen, dat eerst 'dragen' betekende, maar later toegespitst op de zwangerschap de betekenis 'baren' kreeg
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | geboren |
| verbogen | geborene |
geboren
- ter wereld gebracht, gebaard (gezegd over mensen of dieren).
-
- Ik ben in Brussel geboren.
- Zij kregen een ongelukkig geboren kind. (een kind met een geestelijke handicap)
- begonnen, ontstaan (overdrachtelijk).
-
- Deze oplossing is uit nood geboren.
- door herkomst of natuurlijke aanleg (een bepaalde eigenschap bezitten).
-
- Mevrouw De Vries, geboren Jansen. (om de meisjesnaam van een gehuwde vrouw aan te geven)
- Cruyff is een geboren voetballer.
Synoniemen
Antoniemen
- 1. gestorven
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Citaten
- Als je voor een dubbeltje geboren bent, bereik je nooit een kwartje.
- Wanneer je uit een arm gezin komt, zul je niet rijk worden. (liedje Louis Davids; tekst Van Tol, Davids, Morris; 1935)
Spreekwoorden
- Hij is in ~ geboren en getogen.
- Hij is in ~ ter wereld gekomen en opgegroeid. (~: plaatsnaam)
- Dichters worden niet gemaakt, maar geboren.
- Je wordt dichter door eigen aanleg, niet doordat anderen je het leren.
- Ook van andere categorieën personen gezegd; daarbij wordt ook de omgekeerde uitspraak in tegenovergestelde betekenis gebruikt:
- Misdadigers worden niet geboren, maar gemaakt.
Vertalingen
door herkomst of natuurlijke aanleg