gebaren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ge·ba·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het verouderde werkwoord baren of beren (zich gedragen, vertonen) met het voorvoegsel ge-.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| gebaren |
gebaarde |
gebaard |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
gebaren
- (overgankelijk) communiceren door het maken van gebaren
- Hij gebaarde mij dichterbij te komen.
- Verongelijkt gebaarde de speler naar de scheidsrechter.
Vertalingen
Zelfstandig naamwoord
gebaren mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord gebaar