gast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gast gasten
verkleinwoord gastje gastjes

Zelfstandig naamwoord

gast m

  1. wie ergens ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld wordt
  2. klant in een hotel, restaurant e.d.
  3. wie uitgenodigd wordt voor een mediaprogramma
    de centrale gast in een talkshow
  4. (computer) iemand zonder eigen account op een computer of netwerk
  5. (informeel) kerel
    Die opvliegende gast moesten ze voor altijd van de voetbalvelden weren.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Middelnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief gast gaste
genitief gasts gaste
datief gaste gasten
accusatief gast gaste

Zelfstandig naamwoord

gast m

  1. gast