garde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Gardes.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gar·de
enkelvoud meervoud
naamwoord garde gardes
verkleinwoord gardetje gardetjes

Zelfstandig naamwoord

garde v/m

  1. (huishouden) keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan worden
    Met een garde slagroom kloppen vereist enig geduld en doorzettingsvermogen.
  2. een lijfwacht
  3. een roede
  4. (Limburg) een horde, keurbende
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Frans

Werkwoord

vervoeging van
garder

garde

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van garder
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van garder
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van garder