garage

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·ra·ge
enkelvoud meervoud
naamwoord garage garages
verkleinwoord garagetje garagetjes

Zelfstandig naamwoord

garage v

  1. een overdekte autostalling.
    Zet je fiets even in de garage.
  2. een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht.
    Je moet die kapotte auto nu toch echt naar de garage brengen.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen