garage
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ga·ra·ge
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | garage | garages |
| verkleinwoord | garagetje | garagetjes |
Zelfstandig naamwoord
garage v
- een overdekte autostalling
- Zet je fiets even in de garage.
- een bedrijf dat reparatieservices aan motorvoertuigen verricht
- Je moet die kapotte auto nu toch echt naar de garage brengen.
Vertalingen
1. een overdekte autostalling