fundament
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fun·da·ment
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fundament | fundamenten |
| verkleinwoord | fundamentje | fundamentjes |
Zelfstandig naamwoord
fundament o
- de basis waarop een huis wordt gebouwd.
- Het fundament was verzakt dus kwamen er diverse scheuren in de muren.
- de basis waarop verder gewerkt kan worden.
- Het fundament is gelegd door hier de uitgangspunten van deze opdracht te bespreken.
Synoniemen
- 1. fundering