fluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flui·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fluiten
floot
gefloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

fluiten

  1. een fluit bespelen
    De man kon erg goed fluiten en bracht het publiek in vervoering.
  2. geluid van een fluit voortbrengen
    Mijn collega liep de hele tijd te fluiten, zo vrolijk was hij.
  3. met een fluit een signaal geven
    De agent moest fluiten om het verkeer tot stoppen te dwingen.
  4. als scheidsrechter optreden
    Moet jij zaterdag nog fluiten?
  5. (dierengeluid) een geluid voortbrengen zoals zekere zangvogels
    In de boom floot een putter als of het een lieve lust was.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

fluiten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fluit