flap

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(heteroniem)

Woordafbreking
  • flap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord flap flaps
verkleinwoord flapje flapjes

Zelfstandig naamwoord

flap m

  1. beweegbare klep aan een vliegtuigvleugel, bij het landen uitgeklapt om het draagvlak te vergroten
enkelvoud meervoud
naamwoord flap flappen
verkleinwoord flapje flapjes

Zelfstandig naamwoord

flap m

  1. naar binnen omgeslagen deel van een losse boekomslag, (de achterflap en de voorflap)
    op de flap stond een kort stukje over de auteur [2]
  2. (informeel) bankbiljet
  3. omgeslagen stuk van een lap textiel
  4. (medisch) omgeslagen stuk van een lap vlees of weefsel
  5. gebak zoals b.v. appelflap [3]
  6. groot vel papier aan een bord
  7. klep om iets af te sluiten [4] [5]
  8. (kempisch dialect) een samenstelling van de twee Nederlandse woorden flauw en slap. De uitdrukking wordt in de Antwerpse Noorderkempen gebruikt om een uitgeput, maar voldaan gevoel aan te geven na een zware inspanning.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
flappen

flap

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flappen
    Ik flap.
  2. gebiedende wijs van flappen
    Flap!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van flappen
    Flap je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. Woordenboek der Nederlandse taal

Meer informatie