fladderen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- flad·de·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| fladderen |
fladderde |
gefladderd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
fladderen
- (inergatief) (medisch) flutter, vorm van hartritme, waarbij de boezems of kamers zich zeer snel ritmisch samentrekken
- (inergatief) onhandig heen en weer vliegen met veel vleugelgeklap
- (ergatief) onhandig met veel vleugelgeklap zich ergens heen begeven
- De jonge vogel was naar het water gefladderd en er bijna ingevallen.