fit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordherkomst en -opbouw
Uitspraak
- IPA: / 'fɪt /
Uitspraak
Woordafbreking
- fit
Bijvoeglijk naamwoord
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | fit | fitter | fitst |
| verbogen | fitte | fittere | fitste |
fit
- in goede lichamelijke conditie.
- Hij loopt dagelijks hard om fit te zijn voor de wedstrijd.
- Na haar genezing voelde ze zich weer fit.
Synoniemen
- in vorm