fit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Woordherkomst en -opbouw
Uitspraak
  • IPA: / 'fɪt /
Uitspraak
Woordafbreking
  • fit

Bijvoeglijk naamwoord

stellend vergrotend overtreffend
onverbogen fit fitter fitst
verbogen fitte fittere fitste

fit

  1. in goede lichamelijke conditie.
    Hij loopt dagelijks hard om fit te zijn voor de wedstrijd.
    Na haar genezing voelde ze zich weer fit.
Synoniemen
  • in vorm
Vertalingen
Verwante begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen