fis

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fis
enkelvoud meervoud
naamwoord fis fissen
verkleinwoord fisje fisjes

Zelfstandig naamwoord

fis v/m

  1. (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "f"
    De toon “fis” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de tonen “eïsis” en “ges”.
  2. (muziek) de grondtoon (tonica) van de “fis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
    Op de notenbalk van een vioolsonate in fis, staan drie kruisen als voortekens.
  3. (muziek) de grondtoon van het “fis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
    De drie tonen van het fis-mineurakkoord (symbool: F#m) in grondligging, zijn: fis - a - cis.
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • fis

Zelfstandig naamwoord

fis o

  1. (muziek) fis, een verhoogde toon “f”
  2. (muziek) fis-mineur, fis kleine terts: de naam van het akkoord of toonaard
    «Eine Sonate in fis
    Een sonate in fis kleine terts.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen


Latijn

Werkwoord

vervoeging van
fieri

fis

  1. actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van fieri