fis
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fis
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | fis | fissen |
| verkleinwoord | fisje | fisjes |
Zelfstandig naamwoord
- (muziek) een met een halve toon verhoogde toon "f"
- De toon “fis” klinkt in de getempereerde stemming gelijk aan de tonen “eïsis” en “ges”.
- (muziek) de grondtoon (tonica) van de “fis-mineurtoonladder”, tevens een korte aanduiding van die toonladder
- Op de notenbalk van een vioolsonate in fis, staan drie kruisen als voortekens.
- (muziek) de grondtoon van het “fis-mineurakkoord”, de kleine drieklank op de eerste trap (tonica-akkoord) van de kleinetertstoonladder op die toon
- De drie tonen van het fis-mineurakkoord (symbool: F#m) in grondligging, zijn: fis - a - cis.
Synoniemen
- [1] eïsis, ges
- [2] fis-kleinetertstoonladder, fis-klein, fis-mineurtoonladder, fis-mineur
- [3] fis-klein, fis-kleinakkoord, fis-mineur, fis-mineurakkoord, F#m
Antoniemen
- [1] fes
- [2] Fis, Fis-groot, Fis-majeur, Fis-grotetertstoonladder
- [3] Fis, Fis-groot, Fis-majeurakkoord
Verwante begrippen
Vertalingen
2. fis-kleinetertstoonladder
3. fis-mineurgrondakkoord
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Duits
Uitspraak
Woordafbreking
- fis
Zelfstandig naamwoord
fis o
- (muziek) fis, een verhoogde toon “f”
- (muziek) fis-mineur, fis kleine terts: de naam van het akkoord of toonaard
- «Eine Sonate in fis.»
- Een sonate in fis kleine terts.
- «Eine Sonate in fis.»
Synoniemen
- [2] fis-Moll
Antoniemen
- [2] Fis-Dur
Afgeleide begrippen
Latijn
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| fieri |
fis
- actief indicatief praesens, tweede persoon enkelvoud van fieri