fiks
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- fiks
Woordherkomst en -opbouw
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | fiks |
| verbogen | fikse |
Bijvoeglijk naamwoord
fiks
- groot, krachtig
- Na wat onderhandelen heb ik een fikse korting bedongen.
- Zijn zelfvertrouwen heeft een fikse knauw gekregen.