faillissement
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: faillissement (hulp, bestand)
- IPA: /ˌfajisəˈmɛnt/
Woordafbreking
- fail·lis·se·ment
Woordherkomst en -opbouw
- In het Nederlands gevormd van het Franse faillir (falen, failliet gaan) of faillite (failliet) met het achtervoegsel -ment (dat in het Nederlands als bastaardmorfeem gebruikt wordt).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | faillissement | faillissementen |
| verkleinwoord | faillissementje | faillissementjes |
Zelfstandig naamwoord
faillissement o
- de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
- Door het faillissement van de behanger kon zijn huis op tijd niet afgewerkt worden.
- een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
- Toen de crisis toegeslagen had bij de luchtvaartmaatschappij, was het faillissement onvermijdelijk geworden.
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- in staat van faillissement
- niet in staat om te blijven betalen en verstoken van enig krediet
Vertalingen
1. de toestand van iemand die, blijkens rechterlijk onderzoek, niet in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.
2. een in de wet geregelde procedure voor een persoon of onderneming die niet (meer) in staat is aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.