faalde
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- faal·de
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| falen |
faalde
- enkelvoud verleden tijd van falen
- Ik faalde.
- Jij faalde.
- Hij, zij, het faalde.
- Ik faalde.
| vervoeging van |
|---|
| falen |
faalde