föhn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • föhn
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Afgeleid uit het Latijnse "favonius" (warme wind) en het gotische fôhn (vuur)
  • [2] Afkomstig van het Duitse Föhn, een warme bergwind die van de Alpen neerdaalt.
enkelvoud meervoud
naamwoord föhn föhns
verkleinwoord föhntje föhntjes

Zelfstandig naamwoord

föhn m

  1. een toestel dat een warme luchtstroom voortbrengt voor het drogen en opmaken van het kapsel, een haarföhn
    Het is verbazingwekkend wat je met een föhn kunt bereiken.
  2. (meteorologie) een warme droge wind afkomstig uit Italië die vaak aan de noordzijde van de Alpen waait
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
föhnen

föhn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van föhnen
    Ik föhn.
  2. gebiedende wijs van föhnen
    Föhn!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van föhnen
    Föhn je?

Meer informatie