excuseren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ex·cu·se·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| excuseren |
excuseerde |
geëxcuseerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
excuseren
- (overgankelijk) een verontschuldiging uiten
- Hij excuseerde het gebrek aan gegevens met een verwijzing naar de problemen die de expeditie had ondervonden.
- (wederkerend) zich ~ om begrip vragen voor zijn -gewoonlijk onbedoelde of opgelegde- gedrag
- Hij excuseerde zich dat hij vroeg vertrekken moest.
- (overgankelijk) afzien van aanmerkingen of straf
- Hij besloot de afwezigheid van de studenten te excuseren vanwege het slechte weer.