evangelist

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • evan·ge·list
enkelvoud meervoud
naamwoord evangelist evangelisten
verkleinwoord evangelistje evangelistjes

Zelfstandig naamwoord

evangelist m

  1. (Bijbels) een volgeling van Jesus die het verhaal van zijn leven de sterven op schrift gesteld heeft.
    Marcus en Lucas waren evangelisten.
  2. een verkondiger van het christelijke geloof met name aan niet-gelovigen.
    Billy Graham was een bekende evangelist.
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen