escaso

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Spaans

  enkelvoud meervoud
mannelijk escaso escasos
vrouwelijk escasa escasas
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

escaso

  1. gering, schaars, karig, krap
    Ahora la lluvia arreciaba afuera, y las gotas de agua, en la ventana, descomponían en pequeños reflejos la escasa luz exterior, cribando las sábanas de puntos móviles, [...] [1]
Verwijzingen
  1. Arturo Pérez-Reverte, El club Dumas, 1993 (2008 uitg., ISBN 978-84-663-2070-2)